ti guarda dal Grande Inquisitor

Keulen 2013-2014 [terug]

Opmerkingen ...

3

van Stefan Caprasse <stefan.caprasse@...> op maandag 26 augustus 2013 om 11:25

Ik was er ook...

2

van Dirk Vermassen <dirk.vermassen@...> op zaterdag 24 augustus 2013 om 15:30

Bedankt voor het verslag, Dirk. Ik maakte alleen Rheingold mee en voor één keer was ik blij dat ik geen kaarten had voor de rest van de cyclus. Ondanks een goed plaats in wat Chéreau 'le plus beau théâtre du monde' noemt, had ik op geen enkel moment het gevoel dat ik in een theater zat. Wat ik zag, leek meer op een slechte Amerikaanse gangsterfilm, exclusief bevolkt met schurken, pooiers en hoeren.

Nochtans heb ik op zichzelf niets tegen transposities en actualiseringen, op voorwaarde dat ze het werk en de betekenis ervan dienen. Maar wat Castorf doet, is alles reduceren tot het anekdotische en tot het niveau van goedkope snertfilms. Dat staat in schrijnend contrast met de muziek, die een totaal andere, niet-anekdotische en in het geval van de Ring duidelijk mythische betekenis overbrengt. Maar tegen smakeloze beelden heeft zelfs Wagner geen verweer. Het resultaat is ongemeen plat en deprimerend. Hoe zou het ook anders kunnen ? Wie Bach laat bewerken door de Beatles, krijgt Beatles, geen Bach. Wie Shakespeare laat bewerken door Tom Lanoye, krijgt Lanoye, geen Shakespeare.

Zo baant een niets ontziend egalitarisme zich een weg naar kernplaatsen van cultuurbeleving. Zoals hippe leraren in de klas vertellen dat er eigenlijk geen verschil is tussen James Bond en Karel ende Elegast, zoals hippe muziekleraren zonder moeite popmuziek en ernstige muziek op één hoop gooien, zo vertelt Castorf ons tussen de regels door dat er in wezen geen verschil is tussen de Ring en een gangsterfilm. Dat hij daarvoor de opdracht en de middelen krijgt van Wagners eigenste achterkleindochters, toont hoe ver het gevorderd is met de cultuurcrisis.

In Bayreuth wordt Wahnfried, het huis van de componist op dit moment grondig gerestaureerd. Ik vermoed dat binnenkort ook zal moeten gebeuren met zijn graf, waarin Wagner zich dit jaar menigmaal met explosieve woede moet hebben omgedraaid.

Dat het anders kan, bewees dit jaar de reeds genoemde Chéreau met zijn Elektra in Aix-en-Provence. Vertrekkend van de tekst, in zuiver theatrale vormen, zonder enig effectbejag, maakte hij er een bloedstollende, aangrijpende tragedie van die nog dagen blijft nazinderen. De productie wordt later hernomen in de Scala en in de Met. Zoals de Michelin zegt: vaut le voyage.

Dirk Vermassen

1

van Dirk Vandepitte <dirkvandepitte@...> op donderdag 22 augustus 2013 om 22:55

Na het verslag dat vandaag in De Standaard is verschenen over de Bayreuth-Ring wil ik ook even mijn bevindingen geven, nadat ik de tweede cyclus heb meegemaakt. Het is in dit Wagner-jaar de eerste editie van deze enscenering, en het is er duidelijk aan te zien dat dit niet af is.

Het meest in het oog springende element van de hele cyclus zijn de decors. Ik heb nooit zulke gedetailleerd uitgewerkte decors gezien. In een verhaal dat zich volgens het libretto afspeelt in een denkbeeldige wereld kan de decorbouwer zijn verbeelding vrij spel laten. En of hier creativiteit in het spel was ! Voor elk van de vier stukken is gebruikt gemaakt van het grote draaiplateau waarop telkens één vast décor is opgebouwd. In Rheingold is het een Amerikaans motel, met aan de ene kant een tankstation en aan de andere kant een zwembad. In Walküre is het een grote houten woning is een bos, met een aangebouwde toren en een grote schuur, waar onder andere een ja-knikker uit een olieveld wordt uitgereden, en die beschreven is met teksten in cyrillisch schrift en in het Turks. Door het plateau te draaien wordt telkens een ander deel van het decor zichtbaar, en dat levert mooie en gevarieerde beelden op. In Siegfried zijn er twee totaal verschillende zijden tegen elkaar geplaatst: aan de ene kant is het een Mount Rushmore copie, maar met de uitgehouwen beelden van de vier presidenten nu vervangen door Marx, Lenin, Stalin en Mao, en aan de andere kant is het een troosteloos Oost-Berlijns plein met toegang tot de metro. In Götterdämmering heeft het décor vier zichtbare zijden, die alle onafhankelijk zijn van elkaar, met een toegang tot een flatgebouw, een kebab-zaak, een grote trap tussen twee wanden en tenslotte een opgebouwde gevel die eerst de Christo-verpakte Reichstag is en nadat de verpakking valt de New Yorkse beurs. Elk van deze decors zijn bijzonder grondig uitgewerkt, waarbij meestal de zeer grote hoogte van de scène (12 à 13m hoog ?) volledig wordt benut. De grote vraag bij die uiteenlopende beelden is natuurlijk wat die met elkaar en met het libretto van de cyclus te maken hebben. Een deel van het antwoord lijkt te zijn olie, maar de band met het bekende sprookje van goden, Nibelungen, Wälsungen en Gibichungen is mij zelfs na lezing van het programmaboek nog steeds niet duidelijk. Verder wil de regie kennelijk ook iets zeggen over het communisme (de vier beelden) en het kapitalisme (de beurs), maar ook die boodschap komt niet over. Wellicht hebben de elementen olie en ideologie te maken met macht, maar behalve een paar kleine verwijzingen zijn deze gedachten niet uitgewerkt. Tot dusver wat de toeschouwer wel te zien krijgt, maar de componist heeft de hele Ring-cyclus volledig opgebouwd rond een groot aantal steeds terugkerende attributen, zoals de Rijn, de wereldes, het Walhalla, de paard van Brünnhilde … en die blijven helaas geheel afwezig. Zelfs een voor de hand liggende associatie tussen het beursgebouw en het Walhalla, dat in het slot van Götterdämmerung vernield wordt, komt er niet. Waarom doent men al die moeite … voor zo weinig inhoudsvol resultaat ?

Deze indruk is ook tekenend voor de regie. Er zijn enkele goed uitgewerkte scènes, zoals de tweede scène in Rheingold, waar de goden als een soort maffia-clan worden voorgesteld, en ook de eerste scène van die Walküre is (althans naar Wagneriaanse normen) geloofwaardig. Een vaak terugkerend attribuut is een “gestroomlijnde” Amerikaanse caravan uit de jaren '60. In de derde scène van Rheingold en in de eerste van Siegfried lijkt die de wereld van de Nibelungen voor te stellen, maar in het voorspel tot Götterdämmerung is diezelfde caravan het “huis” van Siegfried en Brünnhilde. In verschillende scènes is de regie nog helemaal niet ontwikkeld, zoals in het slot van Rheingold en in een groot deel van Götterdämmerung. Het dieptepunt van de regie was Siegfried, vooral het derde bedrijf. Hoewel Siegfried en Brünnhilde daar hun liefde zouden moeten ontdekken, kijken ze elkaar in dat lange bedrijf zelfs nauwelijks aan, het koppel lijkt eerder de scheiding nabij te zijn. De finale verdient nog veel meer boe-geroep dan wat het publiek heeft laten horen: er worden namelijk twee grote krokodillen op toneel gebracht, waarvan één de woudvogel inslikt en de andere door Siegfried stukjes brood in de steeds openende en sluitende muil wordt geworpen. Wat heeft dit nog te maken met deze opera, wat heeft dit te maken met een liefdescène ?

Vooral in Siegfried en in Götterdämmerung wordt heel vaak van decor gewisseld, en doordat die zo verschillend zijn gaat de draad in het verhaal helemaal verloren en kan de spanning die normaal zou moeten worden opgebouwd zich niet ontwikkelen. Siegfried werkt lange tijd aan zijn zwaard Nothung, maar hij heeft ook een kist met Kalashnikovs, waarmee hij uiteindelijk Fafner in een salvo doodt. Deze regisseur heeft kennelijk heel wat ideeën, maar ze zijn niet gestructureerd.

Er wordt ook veel met live-video gewerkt. Bij momenten is dat erg functioneel, bij voorbeeld wanneer moordpartijen achter een scherm plaats vinden kan de toeschouwer toch nog volgen wat er gebeurt. Maar meerdere video-fragmenten leidden daarentegen de aandacht onnodig af.

Over de solisten kan ik heel wat korter zijn. De bezetting is homogeen en van een redelijk goed niveau. De positieve uitschieters van de vorige Bayreuth-versie als Hans-Peter König (Hagen) en Eva-Maria Westbroek (Sieglinde) waren er helaas niet, maar de negatieve uitschieter van Endrik Wottrich (Siegmund) was er gelukkig evenmin. De beste prestaties kwamen van Martin Winkler als Alberich en Catherine Foster als Brünnhilde (vooral in Götterdämmerung), en ook Johan Botha (Siegmund) en Franz-Josef Selig (Hunding). Wolfgang Koch (Wotan/Wanderer) had goede momenten, maar was niet erg constant. Lance Ryan (Siegfried, die we ook kennen uit de Ring van Van Hove) zingt redelijk mooi, vooral als oude Siegfried, maar hij miste zowat alle uitstraling. Verder waren ook Burkhard Ulrich (Mime), Anja Kampe (Sieglinde) en Nadine Weissmann (Erda) heel behoorlijk.

En dan nog een woordje over het orkest en zijn dirigent, Kirill Petrenko. Hij speelde een gematigde, in Rheingold en Walküre veelal bijna ingetogen partituur. Misschien is de dirigent nog onervaren met de aparte schikking van de orkestbak in het Festspielhaus en met de projectie van de orkestklank naar de zaal toe. Maar de slotscène in Götterdämmerung was bijzonder ontroerend.

Ondanks de regie van Frank Castorf heb ik toch weer een mooie week achter de rug.