ti guarda dal Grande Inquisitor

Terugblik 2010 [terug]

Opmerkingen ...

9

van Basia Jaworski <blj@...> op vrijdag 31 december 2010 om 17:41

helemaal mee eens, Margo!

Inmiddels hebben we ook al het Nederlandse lijstje.
De top 10 van de redactie:

http://www.operamagazine.nl/headline/9785/opera-top-tien-2010-redactie/

De top tien van de lezers:

http://www.operamagazine.nl/featured/9793/opera-top-tien-2010-lezers/

Alle reacties zijn zeer welkom!

8

van Margo <margo@...> op donderdag 30 december 2010 om 11:08

Het artikel van Bart Boone is blijkbaar geschreven voor het Vlaams Theater Instituut en in die context heb ik er niet zo'n probleem mee dat hij enkel de theaterkant belicht. Op hun website vind je nog een aantal van die operakritieken (Turandot, Idomeneo, ...) die ook niets over de zangers schrijven.

Ik heb wel een probleem als de "kwaliteitskranten" dezelfde toer opgaan. Als bijvoorbeeld de Standaard in een recensie van Kata Kabanova niets anders weet te schrijven dan "Evelyn Herlitzius is de absolute uitblinker" dan is het echt zielig. Waar zijn de tijden van Erna gebleven ?

7

van Ricci <riccifrederic@...> op donderdag 30 december 2010 om 9:17

als we het over don carlos hebben en specifiek gericht aan bart boone: je moet het toch maar kunnen een opera reviewen zonder ook maar één woord aan de zangers noch orkest en dirigent te wijden.....Laten we in het vervolg een soundtrack gebruiken en laat echte acteurs optreden. Een boutade? Neen, dit IS al werkelijkheid aan het worden.

6

van Basia Jaworski <blj@...> op woensdag 29 december 2010 om 23:26

Als we het over Don Carlos hebben:

http://www.operamagazine.nl/featured/5071/vlaamse-opera-speelt-controversiele-carlos/

5

van Bart Boone <bart.boone@...> op woensdag 29 december 2010 om 18:10

Vluchten kan niet meer
Don Carlos - Vlaamse Opera

BART BOONE

Giuseppe Verdi’s opera Don Carlos beleefde bij de Vlaamse Opera eindelijk zijn Belgische creatie in de Franse oerversie. Dat was niet de enige primeur. Voor het eerst kreeg het operapubliek ook werk van Peter Konwitschny te slikken. De Duitse regisseur behoort tot Europa’s meest vernieuwende en originele operamakers. Don Carlos laat toe in te zoomen op wat deze man zo belangwekkend maakt.

Zonnig sarcasme
Het is even schrikken. Eerst ontvouwt Don Carlos zich als een braaf geregisseerde voorstelling in historische kostuums. Dan grijpt tijdens de derde akte toch de hand van de iconoclast Konwitschny in. Een neppauze ontpopt zich tot een wervelend hedendaags event. Daarin zet het tafereel van het autodafe of de ketterverbranding de opera gewoon door. Het verblufte publiek? Dat komt ogen en oren te kort. Op de scène spelen solisten, koorleden en orkest dapper door. In de zaal ontketent zich een vakkundig opgebouwde chaos, die refereert aan de volksfeesten waarmee de inquisitie autodafe’s liet opfleuren als vieringen van het ware geloof. Een feestelijke fanfare in de hal luistert de intrede van het Spaanse vorstenpaar op. Paparazzi en bodyguards drummen toeschouwers aan de kant. Militairen jagen opstandelingen met bruut geweld door de zaal het toneel op. Kortom, niets ontbreekt in dit bonte spektakel.
Zelfs Kathy Pauwels - de échte - is van de partij. Op grote schermen in de foyer, de gangen of de trappenhuizen verslaat de VTM-royalty-watcher live iedere stap in het tafereel. Zonnig sarcastisch nodigt ze iedereen uit om ‘het pyrotechnische evenement’ niet te missen, de ketterverbranding. Stelselmatig fokt ze het publiek op, terwijl dat de dramatische actie richting bühne ziet verschuiven. Onwennig zoekt de toeschouwer dan maar terug zijn vertrouwde zitje op. Net dan focust Konwitschny op een dramatisch keerpunt. De ganse happening ontaardt in de climax van akte drie, de opstand van Carlos tegen zijn vader, koning Filips II.

Politiek-religieuze habitat
Uiteraard helpt deze spitsvondige theatertruc Verdi’s mastodont slikken, zowat vijf uur opera. Het libretto van Don Carlos werd door Joseph Méry en Camille du Locle gedestilleerd uit Don Karlos, Infant von Spanien, een ideeëndrama van Friedrich Schiller. Vooral de oerversie van Verdi’s opera verweeft de daden en de motieven van Schillers figuren mooi met hun verstikkende politiek-religieuze habitat. Hoewel bijna alle figuren historisch zijn, zitten ze niet verstrikt in puur historische gebeurtenissen. Wat hen echter bindt, is de strijd voor hun recht op zelfbeschikking, liefde en geluk. Dat recht wordt vermorzeld onder de keiharde Realpolitik van Filips II. Als koning moet hij zich op zijn beurt schikken naar de Kerk. Om die strijd tussen individu, staat en Kerk in meeslepend muziektheater te vertalen mengde de componist ‘zijn’ Italiaanse melodrama met typische grand opéra-spektakelscènes.
Precies dit soort spektakel laat Konwitschny het publiek lijfelijk en actief meebeleven. Zijn ingreep tijdens het autodafe baart verwarring, ergernis of pret, maar spitst vooral de muziektheatrale zinnen. Hij dompelt het publiek onder in het mechanisme van de opera: de afwikkeling van private intermenselijke conflicten binnen openbare massascènes, teken van een door politiek en religie misvormde maatschappij. Door het autodafe eigentijds te tonen stimuleert Konwitschny tegelijk kritiek. Is het publiek slachtoffer van of medeplichtig aan een spektakelmaatschappij? Hoe slaat het de brug tussen ideologische onderdrukking in de zestiende en in de eenentwintigste eeuw? Antwoorden blijven uit. Daarin schuilt juist de kracht.

Bukken voor almacht
Roetsjt Konwitschny met zulke radicale ingrepen respectloos over Verdi’s partituur heen? Integendeel. Een ander handelsmerk is de muzikaliteit van zijn regies. Een partituur, aldus de regisseur, is slechts een skelet. Dat dient vanuit de muziek opgevuld te worden met zinvolle beelden, met mensen van vlees en bloed. Ook Don Carlos legt de Duitser muziekgetrouw open. De leidraad hierbij vormt niets anders dan de muziek en de zanglijnen van de componist Verdi. Die deed elk intermenselijk conflict in zijn opera getuigen van een sublieme psychologische finesse. Nauwkeurig laat Konwitschny deze muziektheatrale spitstechnologie zien.
Ook met dat muzikale respect houdt de regisseur zijn publiek van begin tot eind in spanning. De wirwar van intriges in Verdi’s opera ontkiemt in de onmogelijke liefde tussen de Franse prinses Elisabeth de Valois en de Spaanse Infant Carlos. Carlos schetst Konwitschny niet als een viriele Italiaanse heldentenor. Vanuit zijn muziek wordt hij - net als de historische Infant - een timide, ziekelijk bleke en mentaal labiele zwakkeling. Stuntelig verklaart hij Elisabeth zijn liefde. Hoewel die wederzijds is, verzaakt ze aan haar individueel geluk. Ze huwt niet Carlos, maar zijn vader Filips II. Daarmee bezwijkt de prinses onder druk van het lijdende volk en haar plicht om na een lang aanslepende oorlog tussen Frankrijk en Spanje de vrede tussen die naties te bezegelen. Hofdames rukken Elisabeths kleurige jurk af en hullen haar in een strak zwart-wit hofkleed. Dit pseudo-zestiende-eeuws uniform tooit ook alle andere personages. Het volk jubelt om de vrede. Als schril contrast zakt een stralend witbetonnen omlijsting neer. In overeenstemming met de muzikale dramaturgie drukt dit frame Elisabeth en Carlos’ prille liefde plat. Het neemt de hele ruimte in, sluit de drie toneelwanden af en heeft akelig lage deurtjes. Van dan af moet elk opkomend of afgaand personage zich bukken voor de almacht van Kerk en staat. In die prangende ruimte ontspinnen zich, tot de laatste seconde, al de intriges.
Dat de Duitser zijn metier van operaregisseur als geen ander beheerst, valt niet enkel op door zijn muzikale personenregie. Ook de virtuoos zwierige koorregie maakt indruk. Steeds opnieuw klemmen de koorleden of de figuranten het individu in een cirkel of een strak kader. Wanneer Elisabeth uit haar gevangenis van het Spaanse hofleven wil ontsnappen, snelt ze als een bezetene langs de drie wanden alle deurtjes voorbij. Daarachter schuilt telkens een monnik die haar belet om af te gaan. Uiteindelijk verzeilt ze na die beweging in de armen van... de koning. Ontsnappen uit deze ellende? Onmogelijk.

Slapstick
Adequaat beelden of figuren uitwerken vanuit de muziek is één ding. Tegelijk spint Konwitschny een weefsel van extra handelingslagen door zijn regie. Zo wrikt hij zich los van de partituur, maar zonder het respect voor de muziek op te geven, want steeds verheldert een toegevoegde laag een oorspronkelijke laag. Het meest treffend gebeurt dat in Filips’ elegie. Gebukt onder de bestuurlijke last van het reusachtige imperium van de Spaanse Habsburgers uit de koning zijn eenzaamheid als mens. Normaal wikkelt de aria zich af als een strikt persoonlijke ontboezeming. Maar de Duitser zet ook prinses Eboli op het toneel. Snel uitgerukte kleren liggen verspreid over de toneelvloer. De daad is verricht. Het verlangen geblust. Filips’ slippertje met Eboli behoort niet tot de handeling van het stuk. Het wordt later door de prinses opgebiecht. Bij Konwitschny daarentegen richt Filips zijn jammerklacht over de liefdeloosheid van zijn vrouw Elisabeth rechtstreeks tot Eboli. De eenzaamheid van de overspelige man daalt des te heviger bij het publiek in. Verder in de aria volgt Eboli een eigen handelingspatroon, waarin ze af en toe Filips’ spel kruist. Ingenieus schakelt Konwitschny haar dan in als een rekwisiet binnen Filips’ betoog. Extra laag. Contrast. Kruising. Het schenkt de starre koning meer psychologische diepgang. Herkenbaarheid zelfs.
Eboli figureert ook in het aansluitende duet tussen de blinde Grootinquisiteur en Filips. Het titanengevecht tussen Kerk en staat bedacht Verdi als een angstaanjagend orgie van geweld. Hier trekt Konwitschny volop de kaart van de humor. Terwijl de kerkvorst bloedernstig staatszaken behartigt, struikelt hij slapstickachtig over de kleren van de minnaars. Eboli onderneemt komische pogingen om haar kleren samen te sprokkelen en zich uit de voeten te maken. Toch weet de Grootinquisiteur haar met zijn blindenstok begerig in het nauw te drijven. Niet als allegorie, maar juist als mens boezemt het religieuze monster via deze humor angst in.

Aangebrande kalkoen
Het weefsel van extra lagen stut in Konwitschny’s regies ook een dialectiek. Het bijna altijd geschrapte ballet La Pérégrina vult hij met een hilarisch visioen van Eboli. Ze bemint Carlos, maar de Infant is voor haar onbereikbaar. Daarom beeldt ze zich in gelukkig getrouwd te zijn met hem. De petit bourgeois droom baadt in een idyllische nevel uit een huisvrouwenblaadje uit de jaren vijftig. Potsierlijk zweeft Eboli over de toneelvloer om haar echtgenoot in de watten te leggen. Schoonmama Elisabeth en schoonpa Filips vergast ze op een diner met aangebrande kalkoen. In haar schoot draagt ze trots de volgende Infant.
Eboli als huissloof? Waarom niet. Vaak wordt de prinses enkel als een manipulatieve bitch geserveerd. Met deze traditie breekt de regisseur. Een opera, zo stelt hij, mag nooit de meningen van een publiek bevestigen. Daarom toont hij Eboli in contradicties. Haar kolderieke droom smaakt namelijk ook wrang: Carlos droomt ze als een sociaal onaangepaste en kinderlijke idioot. Kan een vurige vrouw als Eboli van een loser als Carlos houden? Baart ze geen nachtmerrie? Wenst ze als feeks zulk een kleinburgerlijk leven te leiden? Hoe vallen haar conflictueuze rollen te verzoenen? Ze is gevangene van een politiek-religieus systeem. Én Filips’ one-nightstand. Intrigante. Boezemvriendin van de koningin. Met deze contradicties stimuleert Konwitschny een kritische vraagstelling bij de toeschouwer. Via een dialectisch proces moet hij de elementen van de contradicties samen zien, denken of beleven. Zo verhelderen ze elkaar, wat inzicht baart. Maar hoe overrompelend een ervaring als Eboli’s droom ook werkt, nooit dringt Konwitschny visies op. De kijker zélf verbindt de tegenstellingen. De regisseur versmacht het mysterie nooit. Hij bemiddelt het.

Gepersonifieerd geweten
Giuseppe Verdi schreef Don Carlos als een passioneel betoog voor individuele vrijheid. Dat betoog voedde zich grotendeels aan een maatschappelijke desillusie. Voor de optimist Konwitschny echter volstaat het tonen van menselijke miserie en de mechanismen erachter niet. Daarom vergroot hij Verdi’s verzet aan het eind van de opera uit, door het over zijn hele voorstelling uit te smeren. Die hoop illustreert een van zijn ultieme drijfveren: als indirecte erfgenaam van Brecht provoceert hij zijn publiek om het menselijk haalbare te confronteren met het menselijk wenselijke, de utopie.
In Don Carlos straalt het licht der utopie in Karel V, Filips’ vader. Net voor hij stierf, deed de historische Karel afstand van de troon om zich als monnik in een klooster terug te trekken. Bij Verdi galmt enkel zijn mysterieuze stem. Konwitschny schept uit die stem een goedaardige monnik. Als extra personage plant hij in het beton een boompje. Die hoopvolle geste verwijst naar een uitspraak van de theoloog Martin Luther: ‘Als ik wist dat de wereld morgen vergaat, zou ik vandaag een boom planten.’ Boompjes planten. Gepruts met schepjes. Klungelen met een gietertje. Het ziet er even kneuterig uit als het klinkt. Toch werpt Karel als personage dramatisch vruchten af: zowel Carlos als Elisabeth trekken zich aan dit gepersonifieerde geweten op en na vijf uur opera redt Konwitschny niet alleen Carlos, zoals Verdi voorzag, maar beide geliefden. Met uitgestrekte armen vlinderen ze zachtjes rond. Zwevend in een ijle toekomst. Maar dan verpulveren hun naïeve dromen onder de terreur van Filips en de kerkvorst, die hen bruut laten molesteren. Vluchten? Kan niet meer. Maar genoeg is genoeg. Een paneel in het beton kraakt. Karel verschijnt. Kordaat voert hij Carlos en Elisabeth het frame uit.
Dit hevige verzet tegen politiek-religieuze waanzin bekroont een vijf uur durend lyrisch avontuur vol markant vakwerk en majestueuze verrassingen. Aan het einde van die dolle rit begrijpt het Belgische publiek wellicht waarom de internationale vakpers Konwitschny reeds vijf maal uitriep tot Regisseur des Jahres, een unicum in de opera-annalen. Of misschien wil het dat wel niet snappen. Humor en paradox zijn erg zelfconfronterende wapens.

Gezien op zaterdag 13 maart 2010, Vlaamse Opera, Antwerpen, www.vlaamseopera.be.

Deze tekst kwam tot stand in het kader van Corpus Kunstkritiek, een initiatief van VTi - Vlaams Theater Instituut, met steun van Vlaams-Nederlands Huis deBuren. www.vti.be/corpuskunstkritiek

De teksten van het Corpus Kunstkritiek vallen onder de licentie Creative Commons Attribution-Noncommercial-No Derivative Works 2.0 Belgium, wat betekent dat de teksten verspreid, maar niet veranderd mogen worden. Elke vorm van verkoop of betalende distributie is apart te onderhandelen, contacteer VTi.

4

van Dirk Vandepitte <dirkvandepitte@...> op woensdag 29 december 2010 om 16:01

Margo, ik heb de indruk dat uw lijstje van seizoenstoppers nogal overeenstemt met uw persoonlijk lijstje van "beste" opera's in het algemeen. Als ik me niet vergis staan Don Carlos en Eugen Onegin daarin vrij hoog genoteerd. En als de productie dan ook nog een beetje meevalt, dan is het niet onverwacht dat die opvoeringen een goede indruk nalaten.

Bij mij is het niet anders ... Ik reken Elektra en Peter Grimes tot de beste werken die ooit zijn geschreven. En voor Elektra had de Munt dan nog een fantastische bezetting bij elkaar, wat deze opvoering voor mij de absolute nummer één van 2010 maakt. De productie van Peter Grimes was ook goed, maar niet onvergetelijk.

De maand januari is wat mij betreft in de Munt de meest succesvolle van elk seizoen, met in 2008 Giulio Cesare (al was 2007-08 maar een matig seizoen), in 2009 een sublieme Death in Venice en in 2010 een al even geweldige Elektra. Komende maand staat Parsifal op het programma. Dat is veelbelovend !

Dirk

3

van Basia Jaworski <blj@...> op woensdag 29 december 2010 om 11:30

Ja, daar heb je _absoluut_ gelijk in.
Zowel Vepres als R&J waren ONDERMAATS.
Les Troyens .... mhaaaaa.... saai.
Maar we hadden ook een werkelijk fantastische Die Soldaten.
En het dubblebill: Il prigioniero / Hertog Blauwbaards burcht.
Onvergetelijk.
En vergeet niet (zo ontzettend jammer, dat je het niet hebt gezien!) Die Walküre van de Nationale Reisopera!

2

van Margo <margo@...> op woensdag 29 december 2010 om 11:22

Ik heb in Amsterdam enkel Troyens, Vêpres en R&J gezien, wat absoluut onvoldoende is om een top-10 samen te stellen.

Bij die drie opera's zat echter niet echt iets bij dat een plaats in een top-10 verdient. Tenzij met heel veel moeite als het echt niet anders kan dan zou ik eventueel Troyens kunnen nomineren, maar dan enkel omwille van Yvonne Naef.

1

van Basia Jaworski <blj@...> op woensdag 29 december 2010 om 11:06

Zo ontzettend mee eens!

Don Carlos en Peter Grimes in Antwerpen waren goddelijk goed.
In Brussel genoot ik het meest van Don Quichotte, maar ook Elektra was niet te versmaden!

Le Dialogues in Düsseldorf was een absolute top, maar ze hebben daar meer mooie dingen laten zien: ook _hun_ Peter Grimes was een TOP productie.

En wat hebben we in Amsterdam gehad?
Even verklaap ik niets, want het stemmen is gaande, wie doet mee?

http://www.operamagazine.nl/binnenkort/9595/beslis-mee-over-tien-beste-operas-2010/