Il Grand' Inquisitor

Dietrich Henschel in Parijs

Mijn lang weekend in Parijs sloot ik af in het Théâtre des Champs-Elysées met een liedrecital van Dietrich Henschel en Fritz Schwinghammer. De hoofdbrok was Schuberts Schwanengesang, voorafgegaan - zonder pauze - door vijf andere Schubertliederen.

De twee eerste liederen zijn gericht naar Zeus. Het zijn twee heel verschillende liederen, en Henschel maakt het contrast nog extremer. Henschel zingt Prometheus met een explosie van medeklinkers. De woede en verontwaardiging van Prometheus jegens de goden staan centraal... iets té centraal, want de lyrische momenten - zoals "Da ich ein Kind war..." - zijn nauwelijks als dusdanig te herkennen. Ganymed krijgt daarentegen wel een heel lyrische uitdrukking. Om een of andere reden vindt Schwinghammer een galopperend paard in de piano.

In Freiwilliges Versinken worden de grenzen van Henschels stem duidelijk. Zijn hoogte begint nu echt wel een probleem te worden. Het einde van de tweede strofe - "... naht die Nacht" - klinkt geforceerd. Gelijkaardige noten duwt hij langs onder naar boven. Hij heeft dat altijd wel al gehad, maar nu was het wel extreem. Maar dat doet uiteraard geen afbreuk aan zijn interpretatieve kwaliteiten en de verbanden die hij legt. De laatste strofe van Freiwilliges Versinken - "Wie blass der Mond" - zingt hij bijvoorbeeld als een voorafspiegeling van Der Doppelgänger.

Met Gruppe aus dem Tartarus zijn we weer even aanbeland bij de klankwereld van Prometheus. Hij rondde af met het minder bekende Elysium. Dat Schubert zijn tijd ver vooruit was als liedcomponist, weten we al... maar ik wist niet dat hij ook de uitvinder van de ragtime was. Tenminste dat is hoe Schwinghammer de pianobegeleiding af en toe liet klinken.

De meeste zangers die ik de laatste jaren Schwanengesang heb horen zingen, doen wel iets creatiefs met de "cyclus". Ze zoeken een andere volgorde of ze voegen liederen toen. Het was dan ook enigszins verrassend dat Dietrich Henschel de liederen in de gepubliceerde volgorde uitvoerde. Het is een lange reeks liederen met extreme emoties. Ze begonnen dan ook heel rustig met Liebesbotschaft en een mooi gedragen Kriegers Ahnung.

Alles kabbelde rustig voort en net als ik begon te denken dat het een normale uitvoering zou worden, komen we halverwege bij Abschied. Schwinghammer kan nu het ongeduldig trappelend paard de vrije loop laten... maar met "Ade, ihr freundlichen Mägdelein" slaat de sfeer totaal om. Plotseling lijken we terecht gekomen in een uitvoering van Winterreise. De "liebe Sonne" die rust zoekt en het "schimmerndes Fensterlein hell" zijn ook thema's die verwant zijn met Schuberts grootste liedcyclus.

Wat Henschel hier doet, is lichtjes geniaal. Door het laatste Rellstab-lied op deze manier te vertolken, wordt een logische en intense brug geslagen naar de eerste Heine-liederen met Der Atlas en Ihr Bild, dat niet toevallig eindigt met "ich kann's nicht glauben, dass ich dich verloren hab".

Met Das Fischermädchen vindt hij al snel een andere geliefde, maar het geluk duurt niet lang. Schwinghammer creëert een mysterieuze sfeer in Die Stadt om tenslotte uit te komen bij Der Doppelgänger, een lied dat Henschel op het lijf geschreven lijkt. De mysterieuze sfeer wordt verder gezet met een pianissimo eerste strofe, die losbarst in het Schmerzensgewalt van de tweede strofe als de maan - herinner Freiwilliges Versinken - hem zijn eigen "Gestalt" toont.

Ik verwachtte dat hij een even extreme vertolking zou geven van Die Taubenpost, maar de Sehnsucht van dit slotlied is op en top romantisch in plaats van de haast expressionistische klanken die hij in eerdere liederen liet horen.

Na lang aangehouden applaus volgden nog Frühlingsglaube en Der Einsame als bisnummer.

Publicatie: zondag 7 februari 2010 @ 23:43
Rubriek: Liedrecital