Il Grand' Inquisitor

Boris Godunov in Parijs

Tegelijkertijd met Tristan und Isolde herneemt de Opéra de Paris Boris Godunov in de Bastille. Ze brengen de tweede versie - dus met de Poolse akte - maar aangevuld met de scène voor de kathedraal van Vasili de Gezegende uit de eerste versie.

De regie van Francesca Zambello is niet echt speciaal, maar met wel een paar discutabele opties. Zo is er de rol van de idioot, die op de meest onmogelijke momenten opduikt. Hij is ook bij de kroning van Boris en duikt zelfs op in het Kremlin. Aan de ene kant kan ik me voorstellen dat Zambello een verklaring probeert te geven waarom de idioot op de hoogte is van hoe Boris tsaar geworden is. Maar hem overal toegang geven, komt enigszins ongeloofwaardig over. Na de sterfscène van Boris vermoordt Shuisky Fjodor, de zoon van Boris. Historisch schijnt dat wel te kloppen - Shuisky werd zelfs de volgende tsaar - maar dit strookt niet helemaal met de finale revolutiescène (die trouwens overdreven rommelig geënsceneerd is) waar Grigori binnengehaald wordt als de nieuwe tsaar.

De bezettingsfiche ziet eruit als een pagina uit de Moskouse telefoonboek, met echter een belangrijke uitzondering. De titelrol wordt gezongen door de Amerikaanse bas Samuel Ramey. Hij zingt een schitterende Boris. In het begin is er nog een wat los vibrato, maar dat verdwijnt zeer snel. Hij vertolkt de rol heel nobel, op geen enkel moment neemt hij zijn toevlucht tot overdreven dramatisch-expressieve hulpmiddelen, zelfs niet als hij begint te hallucineren. Zowel zijn sterfscène als de scène met zijn zoon zijn echte kippenvelmomenten.

Op het einde van de maand zal Vladimir Vaneev de rol overnemen, maar nu was hij al te horen als de monnik Pimen. In vergelijking met Ramey heeft hij een meer donkere stem, nog niet écht zwart, maar toch heel donkergrijs. Ik stel me voor dat zijn Boris heel anders kan zijn. Wat ik aan deze opera zo fantastisch vind, is dat er drie grote basrollen zijn. De derde is die van de bedelmonnik Varlaam. Mikhail Petrenko zingt zijn lied over de slag van Kazan prachtig... en dat terwijl hij danst en op tafels springt. Ook op de andere momenten blijft hij domineren, zelfs als hij dronken in slaap aan het sukkelen is of als hij op een hilarische manier het opsporingsbevel voorleest.

Al de andere zangers staan een beetje in de schaduw van deze drie zangers. De enige die nog goed stand kan houden is Roman Muravitzky, de tenor die Grigori, de valse Dimitri, zingt. Zijn geliefde Marina werd gezongen door Elena Manistina, die niet echt veel impact maakt. Heel dat Pools bedrijf is trouwens overbodig. Iemand als Olga Borodina zou tenminste nog de illusie kunnen wekken dat er in dat bedrijf iets belangrijks gebeurt, maar tijdens deze voorstelling had ik graag een fast-forward-knop gehad. De originele versie wordt trouwens volgend jaar in de Châtelet opgevoerd door het Mariinsky-gezelschap en Gergiev.

Publicatie: dinsdag 10 mei 2005 @ 9:30
Rubriek: Opera