Il Grand' Inquisitor

Florian Boesch in het PSK

Het "Rising Star"-project verenigt vijftien concertorganisaties uit verschillende landen. Elk jaar vaardigt elke organisatie één jonge artiest af om een toernee te maken langs de verschillende orkestzalen. Het Weense Konzerthaus en Musikverein hadden initieel de sopraan Genia Kühmeier uitgekozen voor het seizoen 2004-2005. Maar uiteindelijk is het de bariton Florian Boesch die haar in een aantal concerten zal vervangen met niemand minder dan Justus Zeyen aan de piano... Waarschijnlijk is Kühmeiers ster al iets te hoog gestegen om nog te passen binnen het Rising Star-concept.

Het recital van Kühmeier was al verschillende dagen van de website van het PSK verdwenen, maar ze vonden het blijkbaar niet nodig om te vermelden wat er in de plaats zou komen. En op mijn herhaalde emails werd - zoals gewoonlijk - ook niet geantwoord... op het vlak van "e-credibility" is bozar nu wel helemaal tot onnaspeurbare dieptes weggezakt.

illustratieToen ik deze voormiddag naar het PSK ging, had ik dus geen flauw idee wat ik te horen zou krijgen en óf ik überhaupt wel iets te horen zou krijgen. Maar toen ik de naam van Florian Boesch las in het programma was mijn nieuwsgierigheid meteen gewekt. In 2002 had ik hem al twee keer gehoord op de Schubertiade Schwarzenberg. Ik vond dat hij toen een nog wat ongepolijste stem had, met een "akkordeonachtige" ademtechniek.

Ondertussen zijn die bezwaren volledig verdwenen en hoorde ik in het PSK een heel expressieve kernachtige stem, die hij volledig onder controle heeft. Wat mij betreft, kunnen er niet genoeg Lieder-zingende baritons zijn, en Florian Boesch is zeker een zanger waarmee de komende jaren rekening gehouden zal moeten worden.

Op zijn programma stonden Goethe-liederen van Schubert en liederen van Schumann op teksten van Heinrich Heine. Elk deel begon en eindigde met een ballade. Voor Schubert was dat een schitterende Prometheus en een aangrijpende Erlkönig (alhoewel hij even de melodie kwijt geraakte, maar zich goed aanpaste). Tussendoor had hij ook nog een intense uitvoering gegeven van de Harfner-Gesänge en een perfect uitgebalanceerde opeenvolging van meer ingetogen liederen - zoals Wanderers Nachtlied I & II, Erster Verlust en An den Mond - die ook geen problemen opleverden.

Hij begon het Schumann-blok met Der arme Peter en vertolkte een aandoenlijke Peter die ergens in een hoekje staat toe te kijken hoe zijn geliefde met iemand anders trouwt. De lange legato-lijnen van Die Lotosblume en Du bist wie eine Blume worden eindeloos uitgesponnen; en ik kan me niet herinneren dat ik ooit iemand al live de lage optie heb horen zingen op het einde van Es leuchtet meine Liebe... tot vandaag. Even indrukwekkend als Erlkönig was Schumanns grote ballade Belsatzar, waarmee hij eindigde. Florian Boesch heeft de stem en de mogelijkheden om de arrogante Babylonische koning uit te beelden... inclusief een bulderende "ICH bin der König von Babylon", maar ook een gebald slot waarvan mijn nekharen gingen rechtstaan en ik een krop in mijn keel kreeg op het moment dat de koning vermoord wordt. Afgezien van Quasthoff, kan ik me niemand voorstellen die dit beter doet.

Als kers op de taart kwam er nog een bisnummer. Schumanns Mondnacht fungeerde als een verstilde tegenhanger van Belsatzar. Mocht je het nog niet doorhebben... ik ben wild enthousiast over hoe de stem van Florian Boesch geëvolueerd is sinds ik hem bijna drie jaar geleden voor het eerst gehoord heb.

Publicatie: zondag 20 februari 2005 @ 15:27
Rubriek: Liedrecital