Il Grand' Inquisitor

Don Carlos in Antwerpen

Opera Vlaanderen opent haar seizoen met Don Carlos - het is tevens de eerste productie van de nieuwe intendant Jan Vandenhouwe - in een regie van Johan Simons. Ze kozen voor een krakkemikkige versie van de Franse versie van Verdi's meesterwerk.

illustratie
Don Carlos, Posa (foto © Annemie Augustijns)

Eén van de redenen waarom een operahuis voor de Franse versie zou kiezen in plaats van voor één van de Italiaanse versies, is omwille van dramaturgische redenen. Het is een echte grand-opéra met verschillende scènes die voor context zorgen. In dit geval worden die zo goed als allemaal geknipt. De voorstelling begint met de eerste scène van het tweede bedrijf: Don Carlos (in wit T-shirt, zwarte broek, op blote voeten) zit op een bed. De link met de historische, zwakzinnige Don Carlos wordt gemaakt... alhoewel die niks met Schiller of Verdi te maken heeft. Daarna worden een paar stukken uit het Fontainebleau-bedrijf als flashback tussengevoegd en gaan we verder met de Eboli-scène. In het derde bedrijf beginnen we meteen met de scène tussen Eboli en Don Carlos, zonder ballet. Eigenlijk brengen ze dus gewoon de Italiaanse versie in vier bedrijven, maar met een Franse tekst. De eerste operaproductie van Johan Simons was Simon Boccanegra in Parijs. Ik was daar toen niet echt van overtuigd en op het vlak van koorregie is er geen ontwikkeling merkbaar. Hij kleedt het koor in gekke kostuums en dumpt ze achteraan op het podium, vaak nog achter een videoscherm. Tijdens het autodafe mogen ze een paar stappen vooruit zetten. Maar als dit alles is wat hij als koorregie kan bedenken, dan is het wel héél mager.

Een andere reden om de Franse versie te brengen, is als je over een uitstekende Franse bezetting beschikt. Maar als Stephan Adriaens in het kleine rolletje van Graaf van Lerma en heraut en Werner Van Mechelen in het nog kleinere rolletje van monnik en Keizer Karel de enige zangers zijn die deftig Frans kunnen zingen, dan is er toch iets grondig mis met de bezetting. Vooral bij de twee vrouwen was dat problematisch.

Mary Elizabeth Williams zingt met een grote, loeiharde sopraan waarvan geen letter te begrijpen is... laat staan een woord of een hele zin. Haar Elisabeth heeft geen charme en kon me op geen enkel moment ontroeren. Haar romance "Oh ma chère compagne" werd vlak weggezongen. Enkel als ze even terugdenkt aan haar jeugd in Frankrijk tijdens "Toi qui sus le néant" is er een beetje emotie merkbaar. Raehann Bryce-Davis was vroeger lid van het Jong Ensemble en kreeg nu de rol van Eboli toebedeeld. Ze evolueert naar een grote dramatische mezzo, maar haar stemvoering is nog te slordig om echt te kunnen overtuigen.

Voor de centrale rol van Philippe II werd Andreas Bauer Kanabas geëngageerd. Hij heeft een prachtige en indrukwekkende stem, maar interpretatief doet hij er weinig mee. Zijn grote monoloog "Elle ne m'aime pas" behoort tot het grote basrepertoire en zou een paradestuk moeten zijn. Maar hij geeft een ééndimensionale lezing, waarbij hij enkel woede en jaloezie projecteert. Kartal Karagedik is wel een goede Posa, met mooi legato, al mispakt hij zich aan zijn sterfscène... niet iedereen is een Hvorostovsky die deze aria schijnbaar in één adem kon zingen. Dan blijft er nog de titelrol van Don Carlo over. Leonardo Capalbo heeft het potentieel om uit te groeien tot de perfecte Don Carlo, al vermoed ik dat de Italiaanse versie hem beter zou liggen. Zijn tenor straalt mooi, maar tegen het einde van de voorstelling wordt zijn stem wat harder.

Publicatie: vrijdag 20 september 2019 @ 8:49
Rubriek: Opera