Il Grand' Inquisitor

Schwanda der Dudelsackpfeifer in Gelsenkirchen

Ik heb gisteren mijn operaseizoen afgesloten in Gelsenkirchen met een leuke productie van Schwanda der Dudelsackpfeifer, een opera die onterecht in de categorie rariteiten zit.

illustratie
Dorota, Schwanda, Babinsky (foto © Karl und Monika Forster)

Een rariteit dus. Het was nochtans ooit anders. Svanda dudák van de Tsjechische componist Jaromír Weinberger ging in 1927 in Praag in première. Een jaar later volgde de Duitse première van Schwanda der Dudelsackpfeifer in een vertaling van Max Brod (die we ook in Gelsenkirchen te horen kregen) en werd de opera de volgende tien jaar een paar duizend keer opgevoerd... tot midden de jaren '30 de nazi's aan de macht kwamen en muziek van joodse componisten in de ban geslagen werd. Zoals zoveel componisten migreerde Weinberger in 1937 naar Amerika.

Schwanda is een Tsjechische volksopera waarin verschillende Boheemse sprookjes en sagen tot één geheel verwerkt werden. De opera bestaat uit vier bedrijven, die elk een titel gekregen hebben. Het eerste en laatste bedrijf heten "Daheim" en zijn eerder een proloog en epiloog. In de proloog maken we kennis met Schwanda, zijn vrouw Dorota en de "edele rover" Babinsky. Babinsky heeft een oogje op Dorota en overtuigt Schwanda om op avontuur te trekken. Zo komt hij in het tweede bedrijf terecht "bei der Eiskönigin". Ze heeft een bevroren hart, maar dankzij de magische tonen van zijn doedelzak laat Schwanda haar ontdooien. De Ijskoningin wil met hem trouwen (Babinsky heeft bijna de weg vrij naar Dorota), maar Dorota duikt op tijd op. Schwanda beweert dat hij de koningin nooit gekust heeft en verdwijnt omwille van die leugen naar de hel. Dorota smeekt Babinsky om hulp. In het derde bedrijf "in der Hölle" legt Babinsky een kaartje met de Duivel met Schwanda's ziel als inzet. Hij wint en alles eindigt op een positieve noot.

illustratie
Schwanda (foto © Karl und Monika Forster)

Weinberger heeft in de eerste plaats op orkestraal vlak een indrukwekkende partituur afgeleverd met niet alleen een lange ouverture en tussenspelen, maar ook kleurrijke orkestratie van de aria's en koren. Een doedelzak zit niet in het instrumentarium, maar wordt geëvoceerd door strijkers en allerlei houtblazers. De dirigent Giuliano Betta zet die orkestrale kant dik in de verf, waardoor de balans met de solisten niet altijd optimaal is.

Van de drie hoofdrolspelers heeft vooral de Dorota van Ilia Papandreou daar last van. Haar lichte sopraan komt regelmatig onder druk met hoge noten die dun klinken, maar ze heeft wel een mooie middenstem. Schwanda is een baritonpartij die door Piotr Prochera perfect lyrisch ingevuld wordt. Uwe Stickert zingt Babinsky met een opvallend slanke tenor.

De productie is in handen van Michiel Dijkema, die eerder dit seizoen ook de Spohr-Faust in Koblenz geënsceneerd heeft. Ook hier krijgen we een kleurrijk scènebeeld met pastoraal bloemendecor voor de proloog, een schavot met sneeuwlandschap voor het tweede bedrijf en een berg vol duivels voor de helscène (met een decorapplaus als het doek opengaat). Het Heimatlied op het einde van de voorstelling wordt voor gesloten doek uitgevoerd, waarbij op de achtergrond idyllische foto's van Gelsenkirchen geprojecteerd worden.

Iedereen verliet met een glimlach de zaal. In september zijn er nog voorstellingen... een aanrader voor wie van sprookjes houdt !

Publicatie: maandag 8 juli 2019 @ 17:07
Rubriek: Opera