Il Grand' Inquisitor

Robert Holl & Co in Schwarzenberg

Mijn laatste liedrecital tijdens deze Schubertiade-week kan samengevat worden als een gevarieerde schubertiade met Robert Holl en András Schiff, aangevuld met jonge zangers voor een programma van solo- en meerstemmige liederen.

illustratie
(foto's © Schubertiade)

De avond begon en eindigde met Gesang der Geister über den Wassern voor acht mannenstemmen en een donker strijkkwintet (zonder violen). Door het twee keer uit te voeren, werd het hele programma ingekaderd in de Goethetekst waarin de menselijke ziel vergeleken wordt met water en het lot met de wind die het water tot grote of kleine golven kan laten opbruisen. Dit thema werd meteen verder uitgewerkt in Grenzen der Menschheit. In het bijzonder het antwoord op de vraag "Was unterscheidet Götter von Menschen?" houdt hiermee verband, namelijk dat de mens verslonden wordt door de golven van de ewige stroom. Het was uiteraard Robert Holl die dit lied, net als de andere sololiederen van de avond, voor zijn rekening nam.

Nu, het is één zaak om een recital te geven in de relatief kleine Broederkerk in Zeist. In de pakweg vijf keer grotere Angelika-Kauffmann-Saal is dat een heel ander paar mouwen. Het is niet zozeer een kwestie van volume, maar eerder van stabiliteit. Hij offert sneller zijn legato op om enkel met tekstprojectie de inhoud over te brengen. Zijn stem zwalpt soms wat, waardoor hij dan weer net minder verstaanbaar wordt. Maar er zijn toch nog een paar mooie momenten ook: zoals het ontroerende slot van Der blinde Knabe of het klagende begin van Der Jüngling auf dem Hügel. Totengräbers Heimwehe ligt bij momenten niet meer goed in zijn stem, maar "Von allen verlassen ..." zong hij wel nog mooi legato. Na het onwezenlijk zacht slot kreeg hij een overdonderend applaus.

Robert Holl is dan ook een monument bij de Schubertiade, wetende dat hij zijn debuut 42 jaar geleden maakte, toen het festival pas één jaar oud was. En het zou me dan ook niet verbazen dat die "Ich komm..." zijn laatste solonoot was bij de Schubertiade. Een ontroerend moment. Eerlijk gezegd, ik had verwacht dat zijn recital vier jaar geleden zijn afscheidsrecital zou geweest zijn. Maar door nu een recital te geven met allemaal jonge zangers, de meeste trouwens studenten van hem, lijkt hij de fakkel definitief door te geven.

illustratie

Im Gegenwärtigen Vergangenes - het eerste meerstemmig lied na Gesang der Geister über den Wassern - is daar een perfecte illustratie van. Elke strofe groeit het ensemble aan: de tenor Jan Petryka begint solo, in de twee strofe wordt het een tenorduet met David Jagodic en tenslotte zingen ze samen met de baritons Georg Klimbacher en Yves Brühwiler de derde strofe. Jagodic en Klimbacher zingen nadien elk de helft van Der Jüngling und der Tod.

Maar ook in de andere liederen neemt één zanger meestal de leiding. Johannes Bamberger zweeft met een slanke tenor boven zijn collega's in Mondenschein. Petryka neemt weer het voortouw in Nachthelle, maar slaagt er niet in om zonder kleerscheuren door zijn passagio te geraken. Klimbacher laat een mooie lyrische bariton horen in Zur guten Nacht. Voor het bekende Grillparzer-Ständchen werd Sophie Rennert nog eens op het podium gehaald om met haar fluwelen mezzo "Zögernd leise" in te zetten.

illustratie

Robert Holl en András Schiff gaven de drie dagen voor dit recital ook een gezamenlijke "Meisterkurs für Schubert-Interpretation". Twee solisten van het recital, Jan Petryka en Georg Klimbacher, aangevuld met de sopraan Caroline Jestaedt vormden de zangstudenten. Fiona Pollak was hun pianiste. Daarnaast namen ook nog een solopianiste, Chiara Opalio, en een pianoduo, Linda Leine en Daria Marshinina, deel. Een aangekondigd klaviertrio had afgezegd.

Holl en Schiff bleven meestal op hun eigen terrein. Dat maakt dat ze ook elk hun eigen invalshoek belichtten. Holl vertrekt altijd vanuit de tekst. Zijn opmerkingen hebben meestal met uitspraak en met frasering te maken... welke woorden zijn belangrijk. Uit zijn (korte) uitweidingen over de liederen en de dichters, blijkt nog eens dat hij een wandelende Schubertencyclopdie is. Ik heb Holl al eerder aan het werk gezien, dus dat was geen verrassing.

Het was wel de eerste keer dat ik Schiff een master class zag geven. Hij vertrekt altijd vanuit de (piano)partituur en zoekt waar Schubert een modulatie, een dissonant of een noot buiten het akkoord geschreven heeft. In alle gevallen komt dat overeen met een speciaal woord... "Sehnsucht" is een klassieker. Hij is, net zoals bijvoorbeeld Graham Johnson, ook een sterke voorvechter om zo weinig mogelijk pedaal te gebruiken: "anders hoor je de noten en de rusten niet meer".

illustratie

Het was ook interessant om zien hoe hij met het pianoduo werkte. Zij speelden elke dag een deel van het "Divertissement à la française" en de aanpak van zo'n vierhandig werk komt dicht bij een lied met ook een begeleider en een zanger. Maar daarenboven zoekt hij ook orkestrale kleuren, welke hand zijn de hoorns, welke de houtblazers, welke de strijkers, ... Het is verbluffend hoe hij ook verbanden vindt met liederen. Of zoals hij het zelf zei: "in elk Schubertwerk zit een lied".

En als er geen lied inzit, dan bedenk je er gewoon zelf een tekst bij, zoals hij suggereerde aan Opalia. Een treffend voorbeeld was een versiering in een Impromptu die ze uitvoerde als een triller, wat niet bleek te kloppen. Hij bedacht bij die vier nootjes de woorden "mamma mia" en plots kan je dat niet anders meer horen. Bij een andere Impromptu bedacht hij een verhaal over een prinses die opgesloten zat in een toren. Kortom, pianisten moeten veel fantasie hebben.

Schiff liet tijdens die drie dagen niet na om zijn afkeer van Steinway-piano's te verkondigen: klinken lelijk, je kan er niet stil (en dus geen Schubert) op spelen, dode tonen, een zwarte doodskist, de naam komt van "ein Stein tut Weh", enzovoort... daarom dat het recital van deze avond dan ook op een Bösendorfer uitgevoerd werd in plaats van de gebruikelijke Steinway.

Publicatie: vrijdag 28 juni 2019 @ 23:34
Rubriek: Liedrecital