Il Grand' Inquisitor

Faust in Koblenz

Na Der Vampyr zet de opera van Koblenz haar exploratie van het vroeg-romantisch Duitse repertoire verder met Faust... van Louis Spohr.

illustratie
Mephisto, Faust (foto © Matthias Baus)

Spohrs Faust ging in 1816 in première (in Praag, onder leiding van Weber) als een opera in twee bedrijven met de gebruikelijke dialogen. In 1852 bewerkte hij de opera voor Covent Garden. Hij splitste het tweede bedrijf in twee aparte bedrijven, voegde wat extra muziek toe en verving de dialogen door recitatieven. Het is deze versie die de opera van Koblenz opvoerde, mits het couperen van een reeks recitatieven... die trouwens allemaal netjes aangeduid worden in het programmaboek.

In tegenstelling tot de meeste andere Faust-opera's, gaat die van Spohr niet terug op het werk van Goethe. De librettist Joseph Karl Bernard baseerde zich op de middeleeuwse legende en andere literatuur van onder andere Maximilian Klinger en Heinrich von Kleist. Het grootste verschil met de Goethe-Faust is dat er geen Gretchen is, maar er zijn wel twee andere vrouwen waar Faust zijn oog heeft op laten vallen.

Faust is enerzijds verliefd op Röschen (die zelf aanbeden wordt door de goudsmid Franz) en anderzijds is hij ook geïnteresseerd in Kunigunde. Het probleem is dat Kunigunde verloofd is met Graaf Hugo en gevangen zit bij "de slechte ridder" Gulf. Met de hulp van Mephisto bevrijdt Faust haar. Dankzij een toverdrank, die hij krijgt van een paar heksen, wordt ze verliefd op hem en beleven ze een passionele nacht. Faust doodt Hugo tijdens een duel, Röschen kan niet verder leven met de ontrouw van Faust en Mephisto sleurt Faust mee naar de hel.

illustratie
Franz, Röschen (foto © Matthias Baus)

De regisseur Michiel Dijkema plaatst de handeling in de correcte periode, te weten het midden van de 15de eeuw, in een minimaal decor. Op een cirkelvormig speelvlak omgeven door een gebogen wand met donkere wolken worden voor elke scène een paar adequate rekwisieten geplaatst. Voor elke scènewisseling deden ze wel het gordijn dicht en het licht in de zaal aan, waardoor er weinig continuïteit in de voorstelling zat. Het is tegenwoordig nochtans niet langer ongebruikelijk om dit met een "changement à vue" op te lossen. Maar in het algemeen is het een mooie en verzorgde productie. Alleen heb ik wel bedenkingen om Graaf Hugo en zijn entourage als een kolderbrigade voor te stellen en het einde van de opera waarbij de volledige bezetting om het leven komt.

De opera was bezet met leden van het ensemble en varieerde van goed tot zwak. Bij de zwakke zangers zat spijtig genoeg ook de titelrol. Christoph Plessers krijgt zijn bariton amper over de orkestbak geprojecteerd en de recitatieven zijn een half Sprechgesang waardoor hij niet de vocale uitstraling heeft voor Faust, die bij Spohr toch eerder een Don Giovanni-type is. Nico Wouterse was daarentegen wel een goede Mephisto met een kernige basbariton. We krijgen hier meer venijn en gif te horen dan de eerder verleidende duivel die we van bij Gounod kennen, zoals in zijn grote monoloog "Wie bin ich dieser Menschenmaske satt".

Hetzelfde patroon zien we bij de twee sopranen. Hana Lee zingt Kunigunde met een bleke, snijdende stem waar amper enige expressie in te bespeuren valt... ze heeft nochtans twee fantastisch mooie aria's. Als coloratuursopraan klonken de paar loopjes die ze moest zingen verrassend moeizaam. Daar tegenover staat Anna Karmasin. Zij zingt Röschen met een aangename en expressieve sopraan, waarmee ze zelfs kon ontroeren tijdens haar cavatina "Dürft' ich mich nennen sein eigen". De twee tenors waren adequaat: Junho Lee zong Franz met een zoetgevooisde Tamino-stem en in de Graaf Hugo van Tobias Haaks kan ik wat Lohengrin-klanken bespeuren.

Publicatie: woensdag 20 maart 2019 @ 9:30
Rubriek: Opera