Il Grand' Inquisitor

Lenneke Ruiten in Zeist

Vorig jaar werd in Zeist een nieuw Liedfestival opgericht met Robert Holl als drijvende kracht. Ik heb dat toen gemist, maar dit jaar ben ik er wél bij in de kerk van de Evangelische Broedergemeente. Het thema dit jaar is "Schubert en zijn voorgangers". Het openingsrecital van Lenneke Ruiten en Thom Janssen paste daar perfect in met liederen van Haydn, Mozart en Schubert.

illustratie
foto © Victor Thomas

We kennen Lenneke Ruiten uiteraard van in de Munt als Ophélie of recent het Vosje. Ze blijkt ook een ronduit geniale liedvertolkster te zijn. De vier Haydn-liederen, op teksten van Anne Hunter, hadden voor mij echter niet gehoeven. Ik heb sowieso problemen met Engelse liederen en Ruitens Engels is daarenboven quasi-onverstaanbaar. Maar dat nam niet weg dat ze een doorleefde The Wanderer zong.

Mozart daarentegen behoort tot de kern van haar operarepertoire en wat ze met dat half dozijn Mozartliederen deed, is simpelweg verbluffend. Ze begon met Dans un bois solitaire in prachtig Frans. De versie van Véronique Gens blijft ongeëvenaard, maar Ruiten kwam wel bangelijk dicht in Gens' buurt. Ze maakte van het lied een uitgewerkte operascène, lichtjes uitgeacteerd zonder over de schreef te gaan.

Haar interpretatief meesterschap kwam helemaal boven in Sehnsucht nach dem Frühling. Het lied bestaat uit vijf strofen... maar terwijl ze het zingt, heb je op geen enkel moment door dat het eigenlijk een strofisch lied is. Voor elke strofe vindt ze weer nieuwe kleuren, nieuwe accenten en invalshoeken, perfect in harmonie met de tekst die ze vertolkt. Das Veilchen, de Mozartiaanse tegenhanger van Heidenröslein (niet toevallig allebei van Goethe), kreeg op dezelfde manier vorm. En als ze halverwege Abendempfindung, bij "Werdet ihr dann an meinem Grabe weinen", schoot mijn gemoed vol.

Tijdens de pauze dacht ik dat met haar Mozart het beste van de avond al gepasseerd was, maar toen moest Schubert nog komen.

Ze begon met het Hölty-lied An den Mond. Letterlijk adembenemend was het derde deel vanaf "Dann, lieber Mond, dann nimm den Schleier wieder" als ze het tempo nog wat terugneemt. Puur technisch kan ze dit perfect doen, op geen enkele moment komt haar adembeheersing in de problemen. Bij andere zangers zou op dat moment het lied in duigen vallen, maar Ruiten slaagt erin om de spanning volledig vast te houden terwijl heel de zaal collectief de adem inhoudt. Die spanning houdt ze vast met de drie Mayrhofer-liederen Nachtviolen, Abendstern en Nachtstück. Dat groepje van vier liederen vormde zo'n intens geheel dat het applaus maar schoorvoetend op gang kwam, alsof eigenlijk niemand die sfeer wou verbreken.

Voor het laatste lied kregen ze versterking van de klarinet van Arjan Woudenberg voor - uiteraard - Der Hirt auf dem Felsen. In het middendeel van "In tiefem Gram verzehr' ich mich" kwam de sfeer van de eerdere Schubertliederen terug, om af te ronden met de loepzuivere virtuositeit van "Der Frühling will kommen". Uiteraard kreeg ze een onmiddellijke staande ovatie - we zijn nu eenmaal in Nederland, nietwaar - en ze zong nog twee bisnummers van Schubert: Du bist die Ruh en Rastlose Liebe.

Publicatie: dinsdag 16 mei 2017 @ 23:25
Rubriek: Liedrecital