Opéra national de Paris 2010-2011
De Parijse Opéra heeft gisteren haar nieuw seizoen aangekondigd. Er staan niet minder dan 19 opera's op het programma, waarvan zeven nieuwe producties.
Bij die nieuwe producties vinden we uiteraard de twee laatste Ring-delen, Siegfried en Götterdämmerung, in de regie van Günter Krämer. Torsten Kerl en Katarina Dalayman zingen respectievelijk Siegfried en Brünnhilde. Andere zangers zijn Juha Uusitalo (Wotan), Hans-Peter König (Hagen) en Sophie Koch (Waltraute). Muziekdirecteur Philippe Jordan dirigeert de twee producties.
In tegenstelling tot dit seizoen kruipt Jordan volgend seizoen iets meer in de orkestbak. Hij zal ook Ariadne auf Naxos dirigeren. Het is een productie van Laurent Pelly met Ricarda Merbeth (Ariadne), Stefan Vinke (Bacchus), Sophie Koch (Komponist) en Diana Damrau (Zerbinetta). Verder dirigeert hij ook twee Mozart-opera's. Voor Le nozze di Figaro heeft Nicolas Joel de legendarische, bijna 40 jaar oude, productie van Giorgio Strehler uit de kelder gehaald en ook een dubbele bezetting voorzien. Cosi fan tutte is te zien in een productie van Ezio Toffolutti. "Nozze" speelt in de Bastille, "Cosi" in de Garnier.
Tenslotte dirigeert Philippe Jordan ook een nieuwe productie van Il trittico... met voorsprong mijn favoriete Puccini-opera. De regie is in handen van Luca Ronconi. De zangers zijn Juan Pons (Michele en Gianni Schicchi), Oxana Dyka (Giorgetta), Marco Berti (Luigi), Tamar Iveri (Suor Angelica), Luciana D'Intino (La zia Principessa) en Ekaterina Siurina (Lauretta).
Een andere interessante nieuwe productie is Hindemiths Mathis der Maler met Christoph Eschenbach in de orkestbak en Olivier Py als regisseur. Matthias Goerne is voorzien voor de titelrol. Met Akhmatova van Bruno Mantovani presenteert de Parijse opera ook een wereldcreatie, die door Joel zelf geregisseerd zal worden. Met Francesca da Rimini van Zandonai zal er ook een rariteit uit het verismo te horen zijn met Svetla Vassilieva als Francesca en met Roberto Alagna als Paolo.
De enige barokopera is Giulio Cesare in de Garnier. Emmanuelle Haïm mag toch nog terugkomen na haar debacle dit seizoen waarbij ze buitengebonjourd werd door het orkest. Laurent Pelly zal ongetwijfeld een creatieve productie bedenken. De titelrol wordt gezongen door Lawrence Zazzo. Isabel Leonard is Sesto; Natalie Dessay en Jane Archibald wisselen af als Cleopatra.

Bij de hernemingen vallen twee producties op van Willy Decker. In Der fliegende Höllander zingt James Morris de titelrol. Hij krijgt repliek van Adrianne Pieczonka (Senta), Klaus Florian Vogt (Erik) en Matti Salminen (Daland). In Yevgenij Onegin kunnen we Ludovic Tézier als Onegin, Olga Guryakova als Tatiana en Joseph Kaiser als Lenski horen.
De verkochte bruid wordt hernomen met Inva Mula (Marenka) en Piotr Beczala (Jeník). Een iets opvallendere herneming uit de Mortier-periode is de Marthaler-productie van Kátia Kabanová met Angela Denoke als Katia. Beide opera's worden opgevoerd in de Garnier.
Tenslotte is er nog een hoop groot Italiaans repertoire. Er zijn twee Verdi-opera's: Luisa Miller met Marcelo Alvarez (Rodolfo) en Krassimira Stoyanova (Luisa Miller); en Otello met Aleksandrs Antonenko (Otello), Renée Fleming en Tamar Iveri (Desdemona), Lucio Gallo en Sergei Murzaev (Iago).
Naast "Trittico" zijn er ook nog twee andere Puccini-opera's: de Bob Wilson-productie van Madama Butterfly met Micaela Carosi (Cio-Cio-san), James Valenti (Pinkerton) en Anthony Michaels-Moore (Sharpless); en Tosca met Iano Tamar (Tosca), Massimo Giordano en Carlo Ventre (Cavaradossi) en Franck Ferrari (Scarpia).
In de Garnier wordt L'Italiana in Algeri opgevoerd met Vivica Genaux als Isabella, Lawrence Brownlee als Lindoro en Marco Vinco als Mustafà.
Er zitten wel een interessante producties en zangers in dit seizoen, maar ook heel veel "veilig" repertoire.

6 opmerkingen
Don Carlos in Antwerpen... bis
Gisteren ben ik de Konwitschny-productie van Don Carlos in de Vlaamse Opera nog eens gaan bekijken. We zijn twee weken verder en een en ander is ten goede geëvolueerd. Het was "toevallig" ook met een andere Elisabeth.

Ik vond Karine Babajanyan - eerder ook al te horen als Cio-cio-san - een betere Elisabeth dan Susanna Branchini. Haar stem projecteert egaal over haar bereik. Ze legt meer expressie in haar stem waardoor "Oh ma chère compagne" zelfs ontroerde. Haar stem harmonieerde ook mooier met die van Marianna Tarasova in hun duet in het vierde bedrijf.
Tarasova is vocaal gezien nog altijd de meest interessante zangeres. Er waren nu zelfs al een paar flarden tekst die als Frans te herkennen waren. "O don fatale" kreeg deze keer ook een minder expressionistische vertolking wat de stijl ten goede kwam. Maar haar Sluieraria krijgt nog altijd een fado-vertolking mee.
Jean-Pierre Furlan begon zwak als Don Carlos. Hij zong zijn openingsaria "Je l'ai vue, et dans son sourire" met veel te veel vibrato en hij leek elk moment op het punt te staan om vocaal in te storten. Nadien evolueerde hij wel in gunstige zin en kon zelfs af en toe nuanceren.
Ten slotte is het ook de moeite om de "kleinere" rollen te vermelden. Zo krijgt Thorsten Büttner als Lerma de prijs voor het mooiste Frans. Zijn tenor klinkt ook heel stijlvol en doet me uitkijken naar zijn Lenski volgende maand. Jaco Huijpen probeerde vooral met veel volume angst aan te jagen als de Groot-Inquisiteur... dat kan/mag ook subtieler. Sabine Conzen was de springerige page Thibault, die me - onder meer door Konwitschny's karakterisering - deed denken aan Verdi's andere page, Oscar in Ballo. Marcel Rosca was een sonore monnik, alias Keizer Karel.

6 opmerkingen
Falstaff in Parijs
Na de onvergetelijke Don Carlo zaterdag in de Bastille, volgde gisteren Verdi's ultieme meesterwerk Falstaff in het Théâtre des Champs-Elysées. Het was een voorstelling waarbij ik de zaal verliet met een brede glimlach.
Die glimlach had niet zo zeer te maken met de regie van Mario Martone maar wel met de muzikale uitvoering. Niet dat er iets mis is met die productie van Martone. Tegen de achtergrond van een eenheidsdecor bestaande uit een staketsel van trappen worden de nodige attributen opgesteld... een tafel met zetel voor de herberg, een divan op een tapijt ten huize van de Fords of een geprojecteerde eik voor het laatste bedrijf. De voorstelling ontvouwt zich op een logische manier met weinig franjes.
Daniele Gatti dirigeerde het Orchestre National de France. Hij beheerst de partituur perfect en laat verschillende details goed uitkomen... van de dreigende contrabassen aan het begin van het derde bedrijf tot delicate en zelfs grappige pizzicati als de mannen denken Falstaff en Alice te betrappen na de kus van Fenton en Nannetta. Maar het zijn vooral de koperblazers waar hij veel mee gewerkt lijkt te hebben. Uiteraard is er Verdi's gebruik van de hoorns telkens er verwezen wordt naar de "corni". Maar ook het opgeblazen ego van Falstaff wordt dik in de verf gezet.
De titelrol was voorzien voor Anthony Michaels-Moore, maar hij is al een paar dagen ziek (de vorige voorstelling heeft hij naar verluidt wel nog half-en-half gezongen). Voor mijn voorstelling hadden ze echter niemand minder dan Ambrogio Maestri kunnen strikken als invaller. Vorig jaar heb ik hem nog als Falstaff gehoord in München. Hij is een van de belangrijkste Falstaffs van het moment en alhoewel het voor hem ongetwijfeld een nieuwe productie is, voelde hij zich meteen als een vis in het water en gaf weer een bulderende uitvoering van "L'onore! Ladri!", zong een intense monoloog "Mondo ladro" en was grappig als "vecchio John".
Voor Jean-François Lapointe is een rol als Ford wat te hoog gegrepen. Hij heeft wel alle noten, maar ze komen nauwelijks over. Zijn monoloog "E sogno, o realtà" verdronk in het orkest. Er wordt soms gezegd dat een lichte stem een zwaardere rol wel kan uitproberen in een kleinere zaal (en het Théâtre des Champs-Elysées is alles behalve groot)... maar dit voorbeeld toont pijnlijk aan dat dat nonsens is.
Bij de vrouwen is er een klein mirakel gebeurd. Anna Caterina Antonacci heeft eens niet afgezegd ! Ze zong een pittige Alice Ford en was volledig in haar element in het derde bedrijf als ze op doorleefde wijze de legende van de Zwarte Jager vertelt.
Maar ondanks Ambrogio Maestri, en ondanks Anna Caterina Antonacci, was het weer dé Mrs Quickly van de eenentwintigste eeuw die de show stal. Marie-Nicole Lemieux moet maar met haar ogen knipperen en je ligt al in een deuk. Het is al de derde productie, denk ik, waarin haar als Quickly zie en telkens wordt ze nog beter en grappiger. Niet alleen in de manier waarop ze Falstaff verleidt in het eerste bedrijf, maar ook in de manier waarop ze haar stem alle kleuren van de regenboog geeft om zo Falstaff de stuipen op het lijf te jagen in het derde bedrijf of Falstaff op zijn plaats te zetten in het tweede bedrijf.
Is er niet ergens een grote komische rol voor een alt beschikbaar die de Munt haar bijvoorbeeld zou kunnen aanbieden ?
Tenslotte vormden Paolo Fanale en Chen Reiss een mooi koppeltje als Fenton en Nannetta. En voor Dr. Caius hebben ze zowaar Raul Gimenez opgevist. Hij is niet meer van de jongste, maar zijn tenor is alles behalve de schriele comprimario waarmee Dr. Caius soms bezet wordt...

reageer
Don Carlo in Parijs
Twee jaar geleden had ik de Graham Vick-productie van Don Carlo al eens gezien. Maar de bezetting die de Parijse Opéra deze keer verzameld had, was iets te indrukwekkend om aan te weerstaan. Met Carlo Rizzi stond ook een aandachtige dirigent in de orkestbak.

De enige die er vorige keer ook al bij was, was Stefano Secco. Hij heeft een puur lyrische tenorstem, die eigenlijk te licht is voor de rol van Don Carlo. Maar zijn projectie is zo goed, dat hij dat redelijk kan verbergen. "Io l' ho perduta!" is mooi en ook tijdens de sterfscène van Posa raakt hij een gevoelige snaar. Er zijn nochtans momenten waarop hij enigszins in de problemen komt. Het slot van het eerste duet met Elisabetta heeft een dramatische ondertoon en dan begint hij wat te forceren. Ook heel zijn optreden tijdens de autodafe-scène valt wat licht uit.
Voor de rest van de bezetting kan ik echter niet genoeg superlatieven bedenken. In de eerste plaats is er de Filippo van Giacomo Prestia. Meer dan tien jaar geleden, heeft hij deze rol ook al in Luik gezongen en hij was toen al indrukwekkend. Zijn stem heeft een mooie resonantie, is zuiver zonder overdreven vibrato, heeft een diepte die werkelijk draagt ook als hij piano zingt en een intelligente tekstbeleving.
Het is vooral dat laatste dat maakt dat zijn Filippo een mens van vlees en bloed wordt. Zelfs een schijnbaar onnozel zinnetje als "ma per voi che far poss'io" in de scène met Posa wordt een belevenis. Maar het is uiteraard zijn monoloog "Ella giammai m'amò" die voor de krop in de keel zorgt. Net daarvoor was hij nog de machtige koning tijdens de autodafe-scène. Als hij nadien alleen aan zijn bureau zit met Elisabetta's juwelenkistje voor hem, is hij een gebroken en oude man geworden vol twijfel en verdriet.
Na Renato voegt Ludovic Tézier Posa toe aan zijn Verdi-repertoire. Ik was indertijd niet helemaal overtuigd van zijn Renato, maar zijn Posa is overweldigend.
In de eerste plaats is er dat schitterend timbre van donker koper, dat ideaal is voor de grote Verdi-baritonrollen. In de tweede plaats is er dat oneindig legato, waarbij elke noot naadloos aansluit bij de vorige. Een perfecte adembeheersing is essentieel. Het is dan ook verbluffend om op te merken dat hij bijvoorbeeld zijn afscheid van Don Carlo "Per me giunto" schijnbaar in één adem zingt. Ten derde heeft hij nu ook de kunst van het stijlvol portamento onder de knie, wat hij mooi toepast in de romanza "Carlo ch'è sol il nostro amore". Het was dat mangelend stijlgevoel waardoor ik zijn Renato "à la française" toen niet echt kon smaken.
Luciana D'Intino is een van de weinige echt grote Verdi-mezzo's van het moment. Ze heeft een stijl van zingen die anders enkel nog te bewonderen valt op historische opnames... inclusief een duidelijke registerovergang, die echter niet zo extreem is dat het stoort. Haar Eboli heeft autoriteit en elegantie, waardoor zowel haar Sluieraria als "O don fatale" de perfectie benaderen. In de Sluieraria speelt ze met lichte en donkere kleuren, waarbij ze elke strofe afsluit met een pianissimo die ze als een laserstraal de zaal instuurt. Voor "O don fatale" haalt ze alle dramatiek boven die ze in huis heeft... waarna de Bastille ontploft in de langste ovatie van de avond.
Met Sondra Radvanovsky wordt Elisabetta eindelijk nog eens met een volbloed spinto-sopraan bezet in plaats van een, al dan niet grote, lyrische sopraan. Dat maakt een wereld van verschil in de ensembles. Ik kan me bijvoorbeeld niet herinneren wanneer ik een Elisbetta nog zo prominent gehoord heb in het slot-ensemble als het orkest fortissimo de opera afsluit. Volume is één zaak, maar niet alles. Het valt op hoe volledig geïntegreerd haar stem is tot en met een stevige hoogte die straalt met hetzelfde timbre als de rest van haar stem.
Het is wachten tot het laatste bedrijf en "Tu che le vanità" om al haar mogelijkheden ten volle te kunnen bewonderen. In het middendeel van de aria bouwt ze grote bogen waardoor elke frase naar een hoogtepunt toewerkt en een fantastische stuwing krijgt. Het slotdeel herneemt ze ingetogen en maakt er een gebed van dat elke vergelijking met "Vissi d'arte" of Desdemona's "Ave Maria" met glans kan doorstaan.
Ik kan me moeilijk iets anders voorstellen dan dat deze Don Carlo dé voorstelling van het jaar gaat worden als ik in december het jaar overloop.

2 opmerkingen
Béatrice et Bénédict in Parijs
De Parijse Opéra-Comique draagt de Franse opera hoog in het vaandel. Een klassiek voorbeeld is Béatrice et Bénédict, die momenteel opgevoerd wordt. In tegenstelling tot andere opera's van Berlioz - in de eerste plaats La damnation de Faust en Les Troyens - wordt Béatrice et Bénédict niet zo vaak scenisch opgevoerd. De talloze gesproken dialogen zijn daar waarschijnlijk "schuldig" aan.
In deze productie had de regisseur Dan Jemmett de idee om de opera als een poppenkast te beschouwen. Alle personages zijn levensgrote marionetten die door de poppenmeester Alberto geleid worden. Alberto, gespeeld door Bob Goody, citeert ook regelmatig Engelstalige fragmenten... waarvan ik veronderstel dat die afkomstig zijn uit Shakespeares "Much ado about nothing", waar Béatrice et Bénédict op gebaseerd is.
Het is een leuk uitgangspunt en het levert kleurrijke tableaus op. Maar het is onvermijdelijk dat de enscenering wat houterig en statisch overkomt. De meeste aria's worden in stilstand gezongen en - vooral in het eerste bedrijf - afgesloten met een dansje. De hectische manier van bewegen met korte snelle stapjes begint op den duur wel te vervelen.
Het tweede bedrijf is uiteraard meer van hetzelfde, maar komt wel sterker over. Er zijn wat minder interventies van Alberto en muzikaal is dat bedrijf ook van een hoger niveau.
De kentering was al begonnen met het duet van Ursule en Héro aan het einde van het eerste bedrijf. Het tweede bedrijf begint weliswaar met wat kolder van Somarone die zijn drinklied "Le vin de Syracuse" improviseert... vertolkt door Michel Trempont, één van de weinige Franstalige zangers in de overwegend angelsaksische bezetting. Maar daarna volgt een delicieuze opeenvolging van de aria van Béatrice en het vrouwentrio van Béatrice, Héro en Ursule "Je vais d'un coeur aimant" om te eindigen met de huwelijksscène.
De homogene bezetting is degelijk en scoort boven het gemiddelde, alhoewel ze niet het niveau haalt van de concertante uitvoering vorig seizoen in het Théâtre des Champs-Elysées. Emmanuel Krivine dirigeerde La Chambre Philharmonique, een ensemble dat op epoque-instrumenten speelt. Net zoals de enscenering levert dat een kleurrijk klankenspectrum op.
Ondanks de Britse achtergrond van de hoofdrolspelers zingen ze allemaal behoorlijk Frans. Ook de dialogen worden goed verstaanbaar geprojecteerd, zij het dat er af en toe een vreemde tongval hoorbaar is.
De ster van de avond was Christine Rice als Béatrice. Ondanks haar marionettenuitbeelding zong ze haar grote aria "Il m'en souvient" met veel inleving en een mooie ronde stem. De Bénédict van Allan Clayton zong mooi Frans en met een goede hoogte, alhoewel "Ah! je vais l'aimer" wel wat meer doorzetting kon hebben. Ailish Tynan was Héro. Zij begon terughoudend en met weinig vuur aan "Je vais le voir". In het slotdeel kwam er wat meer expressie in haar vertolking, maar haar coloraturen sprankelen maar weinig.
Op 6 maart zendt France Musique de voorstelling rechtstreeks uit.

1 opmerking